Skip to the content
Artikel aan winkelwagentje toegevoegd.
Artikel is uit het winkelwagentje verwijderd.
Klant heeft iets aan het winkelwagentje toegevoegd.
U moet een klant selecteren voordat u producten kunt toevoegen.
U kunt slechts een beperkt aantal van dit artikel bestellen.
Menu

Hoe blijven we voorop lopen?

Wat hebben Sophia the Robot en Greta Thunberg met de glastuinbouw te maken? Misschien wel alles! Want kunstmatige intelligentie en klimaatverandering zullen de glastuinbouw ingrijpend veranderen. We vragen aan een aantal experts hoe we als sector voorop kunnen blijven lopen. En: geven we onze kennis niet te snel weg?

De Nederlandse tuinbouw is internationaal groot geworden dankzij innovatie: ‘Om kennis te vermenigvuldigen moet je die eerst delen.’ Vanzelfsprekend is die wijsheid niet. In veel andere sectoren wordt kennis angstvallig geheimgehouden. ‘What’s in it for me’ is vaak de eerste gedachte. Zo niet in de tuinbouw. ‘Welbegrepen eigenbelang’ is vaak een reden om kennis met anderen, ook met concurrenten, te delen. Een open en transparante cultuur, waarover veel buitenlanders die de Nederlandse tuinbouw bezoeken zich verbazen, zegt Joep Hendricks, directeur van World Horti Center.

 

Triple helix

De Nederlandse tuinbouw heeft zijn kennisvoorsprong te danken aan het triple helix model, is de algemene gedachte. Maar de tijden zijn veranderd. De productschappen zijn verdwenen, de overheid maakte het afgelopen decennium een terugtrekkende beweging, budgetten voor fundamenteel en praktijkonderzoek kwamen onder druk. Er kwam een grotere verantwoordelijkheid voor R&D te liggen bij de bedrijven zelf. Volgens Jan van den Ende, innovatieprofessor aan de Erasmus Universiteit, is het innovatielandschap sinds het opdoeken van de productschappen wat gefragmenteerd: “Er zijn allerlei partijen die van alles doen, dat is hartstikke goed. Er zit ook heel veel initiatief in de tuinbouw, maar er is niet een soort overall coördinatie. Het zou misschien goed zijn om iets meer na te denken of er niet ergens blinde vlekken of gaten zitten in dit innovatiesysteem.”

 

Innovaties managen

Van den Ende pleit er niet voor om alles centraal te besturen, want ‘dat gaat niet werken’. Maar het loont vaak wel om goed te kijken waar nog kansen voor de tuinbouwsector zitten en daar innovatieprojecten voor op te zetten, bijvoorbeeld met een TKI-financiering.

“Ander element is dat bedrijven zelf innovaties goed moeten managen. Nou zijn die innovators, zeg maar koplopers, over het algemeen slimme ondernemers. Maar daar valt misschien ook nog wel wat te winnen. Bedrijven in de tuinbouw worden steeds groter. Je moet alles professioneler gaan managen, dus ook innovatieprocessen.

Dan moet je denken aan: wat is onze innovatiestrategie, hoe verdelen we projecten over verschillende prioriteiten, hoe sturen we die projecten aan, waar halen we ideeën vandaan, hoe werken we samen met anderen, waar wel en waar niet etc.”

 

 

 

“Het zou mooi zijn als de Nederlandse tuinbouw met platforms en kunstmatige intelligentie internationaal succes weet te halen, net als Silicon Valley.”

Sneller innoveren

De kunst is om sneller te blijven innoveren dan de ander, vervolgt Van den Ende. Dat kan op verschillende manieren. Via verduurzaming (zoals aardwarmte), via industrie 4.0 (delen van data in ketens) en via servitization (‘product as a service’) bijvoorbeeld. “Bedrijven in de toelevering zijn aan het nadenken over het leveren van diensten, al dan niet gekoppeld aan producten. Sommige kassenbouwers en leveranciers van klimaatcomputers zijn daar al mee bezig (zie ook het artikel over Kubo/ red.). In andere sectoren hebben bedrijven vaak moeite om die stap te maken, want het vraagt een andere bedrijfsstructuur en oriëntatie van de mensen. Het combineren van producten met diensten is lastig, maar niet onmogelijk.”

Van den Ende heeft ook hoge verwachtingen van platforms, zoals LetsGrow.com. “Waar je allerlei informatie van toeleveranciers kan combineren, informatie van telers kan analyseren, en die weer kunt doorverkopen. In feite verkoop je als platformeigenaar een dienst. Ik denk dat platforms en kunstmatige intelligentie bij toeleveranciers een hele belangrijke rol gaan spelen. Het zou mooi zijn als de Nederlandse tuinbouw daarmee internationaal succes weet te halen, net als Silicon Valley. Maar telers kunnen er zelf ook mee aan de slag.”

 

Radicale innovatie

Duurzame innovaties bestrijken een enorm breed terrein, van groene warmte tot recyclebare verpakkingen, vervolgt de professor. “Nederland kan dienen als proeftuin voor al die innovaties, die je op een gegeven moment natuurlijk ook kunt exporteren. Dat moet wel worden ondersteund met subsidies en adequate regelgeving. Ik heb de indruk dat de overheid flink in de energietransitie investeert, denk aan de SDE-pot. Maar het wisselende beleid creëert wel onzekerheid, dat is natuurlijk de grote klacht.” Radicale innovatie via start-ups is ook een optie om sneller te innoveren. “Klanten worden vaak al in een hele vroege fase bij innovatie betrokken, waardoor je heel snel kunt werken van idee naar prototype en dat steeds kunt perfectioneren.” Wat is beter: in-company innovatie of niet? “Een beter product maken, meer sophisticated, daar willen mensen in bedrijven vaak wel voor gaan. Maar iets simpels of goedkoops maken, wat in de ogen van medewerkers minder presteert, maar commercieel wel interessant is, ligt veel moeilijker. Dat kun je beter apart zetten.”

 

Googlebare kennis

“We hebben als tuinbouw nog wel even een kennis voorsprong”, zegt Joep Hendricks, directeur van World Horti Center. “Alleen denk ik dat we kennis vaak verwarren met kunde. Kennis is tegenwoordig overal te vinden. Google is daar toch het beste voorbeeld van. De vraag is: wat doen we met die kennis? Wat is je karakter en vermogen om kennis te interpreteren en in de juiste context te plaatsen, daaruit opties af te leiden en iets nieuws te creëren. De vaardigheid om met kennis een bepaald resultaat te bereiken, noem ik een kunde.

Dat is het geheim van de vakman. In de tuinbouw is dat de teler. Zonder teler of teeltmanager gaat een kas niet draaien, nergens. Dat wil zeggen: nog niet.”

 

Rem Koolhaas

Hoe groot is jullie bijdrage aan de kennisontwikkeling in de tuinbouw? Hendricks: “Die is nog vrij gering. Dat we onderzoek, bedrijfsleven en onderwijs onder een dak hebben is natuurlijk al fantastisch. Dat is ook de eerste feedback die we uit het buitenland krijgen. Dat we bij elkaar zitten is enorme winst. Dat zorgt voor korte lijnen, meer interactie, zowel formeel als informeel. Door elkaar tegen te komen en van elkaar te leren ontstaan vaak nieuwe ideeën. Dat heet innovatie. Dicht bij elkaar zitten, is een goede enabler daarvoor.” Hij vervolgt: “We ontvangen veel kwekers vanuit het buitenland op World Horti Center, maar er zijn ook groepen die niks hebben met tuinbouw. Dat zijn beleidsmakers, overheden, medici, onderwijsinstellingen, noem maar op, die enerzijds willen weten hoe we hier nou samenwerken en anderzijds de tuinbouw willen leren kennen en componenten daarin zoeken die voor hen waardevol zijn. Dat zie je in de expositie van Rem Koolhaas die eind februari in New York is geopend. Daaruit blijkt dat de tuinbouw oplossingen in huis heeft waarmee je hele grote problemen in de wereld kan aanpakken.” Gedreven: “Ik denk dat andere sectoren steeds meer in de gaten krijgen wat de kracht van planten, van natuur is. En dat we als tuinbouw heel veel techniek in huis hebben om die planten goed te laten gedijen. Ook zie ik spin-offs ontstaan naar farmacie, naar vergroening van steden en gebouwen, naar health en well-being in de breedste zin van het woord. We hebben meer in huis dan we zelf zien. Méér dan efficiency of energietransities.”

“Steeds meer sectoren krijgen in de gaten wat de kracht van planten is.”

 

Verduurzaming

Jan van den Ende noemde verduurzaming als één van de manieren om voorop te blijven lopen. Ziet u nog andere manieren? Hendricks: “Ik denk dat het iets is wat andere clusters nog weinig bieden: een mix van bepaalde nutriënten voor de lichamen van een bevolking of een bepaalde mate van vergroening voor het geestelijk welzijn. Het gaat veel meer om de impact die we kunnen maken door gezond te eten en in een gezonde omgeving te wonen; dat is veel belangrijker dan wat wij doen met onze systemen.” Is dat wat men tegenwoordig verstaat onder purpose marketing? “Ja, de premier van Nieuw-Zeeland zei: het moet gaan om de well-being index, niet om economische groei. Als je het meest gezonde land bent om in te wonen en te werken, dan komt de economie vanzelf. Politici zijn nog te veel gefocust op economische groei. Die hebben een KPI nodig waarmee ze binnen vier jaar verschil kunnen maken. Dat is lastig en tegelijk een paradox waarom we niet meer op onze gezondheid gefocust zijn. Daar heb je een generatie voor nodig!”

 

Verdienmodel

Snelheid van innovatie is cruciaal, zei Van den Ende. Is die snelheid alleen afhankelijk van budget of spelen andere factoren ook een rol? Hendricks: “In Amerika zegt men ‘big budget hides the fact that you don’t have a clue what you’re doing’. Vasthoudendheid en vindingrijkheid, ik denk dat dat eigenlijk bepalend is voor succes. En openheid natuurlijk.” Hardware is ‘hard’ als het gaat om innovatie. Daarnaast zie je steeds meer software en diensten in de tuinbouw, is dat ons toekomstig verdienmodel? “Ja, 100%. Er zijn in de tuinbouw ontzettend veel processen die heel goed te automatiseren zijn. Ik denk dat als je het juiste plantmodel gevonden hebt, dan ben je al een heel eind. Het is puur een kwestie van tijd tot kassen zo autonoom worden dat wij er als mens meer schade dan goed doen.” Denk je dat zaadbedrijven in de toekomst zaden gaan leveren met een algoritme erbij (in de vorm van een plantmodel of digitaal teeltrecept) en tegen de klant zegt: als je het in die en die hardware zet met deze instellingen dan krijg je over zoveel weken die oogst? “Ja, op consumentenniveau werkt het al zo, met Click & Grow. Je koopt een cartridge met zaadjes die in een substraatje zitten en daarna: vooral niets meer aan doen.”

 

 

 

“Het is puur een kwestie van tijd tot kassen zo autonoom worden dat wij er als mens meer schade dan goed doen.”

China

Inmiddels zijn er contracten getekend om in China meerdere World Horti Centers te bouwen. Geven we onze kennis niet te snel weg? Hendricks: “Wij hebben onszelf in een soort franchisemodel gegoten, waarbij we vooral consultancydiensten geven in het op gang brengen van een cultuur van samenwerking. In China kun je heel makkelijk een gebouw neerzetten en onderwijsinstellingen motiveren om zich daar te vestigen. Maar vervolgens zal iedereen overgaan tot de orde van de dag. Wat wij doen is op een hele basale manier voor Hollandse bedrijven die samenwerking op gang brengen. Die bedrijven bepalen zelf wat ze wel en niet willen delen en met wie ze samenwerken. Op dat vlak hoef je ze eigenlijk niets uit te leggen. Daarvoor heb je ook een procesbegeleider nodig en dat zijn wij dan. Die triple helix is het model dat wij feitelijk exporteren. Chinese partijen hebben hier heel veel belangstelling voor. Die hebben hier al eigen posities, onder meer in Eindhoven (hightech), in Cambridge (bio-engineering), in Stockholm (automotive), etc. Zij zoeken juist dat soort campussen op om uit te zoeken hoe die drie entiteiten met elkaar samenwerken.”

 

Samenwerking 2.0

De tuinbouw zit op een kantelpunt, zegt Anne-Claire van Altvorst, senior business developer van InnovationQuarter. “Ik denk dat we steeds meer inzien dat de wereld in beweging is, en er grote vraagstukken op ons afkomen, op het gebied van technologie, klimaat en voeding, gezondheid en welzijn bijvoorbeeld. Als je niets doet dan ben je heel kwetsbaar. Dan word je een speelbal van de politiek, zoals de veehouderij.” Eigenlijk moeten we het hebben over samenwerking 2.0, vervolgt ze. “Voorheen was het de samenwerking binnen de sector, die altijd heel goed georganiseerd was, het triple helix model. In de toekomst is het veel belangrijker om je antennes uit te zetten. Welke markten, welke trends, welke maatschappelijke ontwikkelingen zijn er en hoe kun je daarop inspelen. Sociale innovatie dus. Dan moet je samenwerken met andersoortige partners, met andere sectoren ook. Niet alleen in Nederland, maar zeker ook internationaal.” Sociale innovatie richt zich op de ontwikkeling van nieuwe markten en nieuwe businessmodellen, vervolgt Anne-Claire. “Vers+ is daar een goed voorbeeld van. Voor een groep van prostaatkankerpatiënten zijn we op zoek naar producten met extra nutriënten, waarbij je de inhoudsstoffen afstemt op het DNA en de voedingsbehoefte van een persoon. Dan ga je naar een nieuwe vorm van samenwerking, met hele andere ketens.”

 

Vertical farming

Ook vertical farming heeft de aandacht van het InnovationQuarter, al is het aantal commerciële farms in Nederland vooralsnog op een hand te tellen. “Dat is wereldwijd een flinke sector aan het worden. Er zijn wel honderden vertical farms, maar slechts 37% is winstgevend. Wij hebben hier heel veel kennis en ervaring op het gebied van teelt, techniek en veredeling. Dan is het logisch om de samenwerking met die partijen op te zoeken. Wij willen graag de krachten in die sector bundelen, waardoor je internationaal beter zichtbaar bent. Je kunt dan met elkaar nieuwe onderzoeken opzetten, opleidingen organiseren en nog veel meer. Wat heel wenselijk zou zijn, is een internationaal keurmerk, zodat de producten uit een vertical farm herkenbaar zijn. Als je dat met elkaar doet ben je veel krachtiger en kun je daarin ook een koploperpositie opbouwen. Die hebben we nu niet.”

 

Robocrops

Smart Horticulture is het derde thema waar InnovationQuarter zich op richt. “Zo organiseren we dit voorjaar Robocrops, een challenge op het gebied van robotica in de tuinbouw. Enerzijds om aan de wereld te laten zien waar de tuinbouw mee bezig is, anderzijds om te kunnen zien welke internationale spelers er zijn. De budgetten waarover grote techbedrijven en grote landen als China beschikken hebben we hier niet; we moeten dus snel en slim schakelen, goed organiseren en onze creativiteit gebruiken. En proberen samen te werken met de beste partijen op dit gebied. Dat geldt niet alleen voor robotica, maar ook voor andere sleuteltechnologieën, zoals AI en machine learning”, aldus Van Altvorst. “Via ons investeringsfonds Unique investeren wij ook in innovatieve bedrijven in de vroege fase. Dat heeft het afgelopen jaar geïnvesteerd in Gearbox en Pats.”

 

Highend users

Frank Kempkes, onderzoeker van Wageningen Universiteit, denkt dat technologische innovaties voorlopig belangrijker zullen blijven dan sociale innovaties. “Dan praat je over highend users, die ontvankelijk zijn voor personalized foods. En daarvoor bereid zijn een veel hogere prijs te betalen. Het klinkt natuurlijk mooi om producten met een bepaalde inhoudsstof te telen, ik denk aan aardbeien met een hoger vitamine C-gehalte onder ledverlichting. Maar dan praat je nog steeds over een bulkproduct. Wil je inspelen op iemands DNA, ziekte of specifieke voedingsbehoefte dan zul je iedere plant apart moeten gaan voeden. Dat vergt een hele grote technologische stap.”

 

 

 

“Dankzij de technologische vooruitgang weten we steeds meer product van een vierkante meter kas te halen. Die ontwikkeling zal ook doorgaan.”

Autonome kas

Frank ziet op middellange termijn - zeg 5 tot 10 jaar - meer kansen voor de autonome kas met robots. “Want wie wil er straks nog werken in de kas? Het aanbod van werknemers neemt af. Daar zal de focus in innovatie op moeten komen te liggen: hoe krijgen we de productie in kassen met minder arbeid gedaan? Dankzij de technologische vooruitgang weten we steeds meer product van een vierkante meter kas te halen. Die ontwikkeling zal ook doorgaan. Je ziet het eigenlijk in alle sectoren van de economie, de gezondheidszorg en het onderwijs uitgezonderd, dat door innovatie de productiviteit per werknemer moet toenemen om een betaalbaar product over te houden. Soms denk je weleens: er is niet veel veranderd, maar kijk maar eens 10 of 20 jaar terug.”

 

Algoritmen

Nemen algoritmen, zelflerende systemen en andere sleuteltechnologieën de rol van de teeltmanager over? “Die worden belangrijk. Want die zullen we nodig hebben in de volgende automatiseringsstap. Met onze huidige kennisinput kan het niet automatisch. Er gebeurt nog ontzettend veel op gevoel. Daarom moeten we proberen de mechanismen achter de processen te begrijpen en als je dat weet heb je weer een voorsprong. Nu gebeurt nog best wel veel met trial & error, neem bijvoorbeeld led. We hangen een lampje op en we zien wel. Zo kun je ook een leercurve maken, maar dat kan veel leergeld kosten. Als je de mechanismen erachter begrijpt kun je in ieder geval gefundeerder werken.”

 

Emissieloos telen

Een derde grote technologische uitdaging is emissieloos telen, vervolgt Kempkes.

“En dan bedoel ik niet alleen het reduceren van CO2-uitstoot. Want er zijn in een kas ook andere emissies naast grond, water en lucht. Dat wordt in het KAS2030-project in Bleiswijk voor het eerst geïntegreerd. We proberen alle emissiestromen van een teelt in hun onderlinge samenhang te elimineren. Een voorbeeld: als ik aan de CO2-kraan draai, betekent dat vaak dat ik vochtiger ga telen. Dat heeft weer invloed op schimmelziekten bijvoorbeeld. Dan gaan we lucht ontvochtigen, maar dat kost weer energie en dus CO2-uitstoot. Voor teelten die relatief koud zijn zie je dat het aandeel van de vochthuishouding op de totale energievraag hoog is. Gewasbescherming: kunnen we helemaal loskomen van chemische middelen. Dat betekent: natuurlijke bestrijders. We willen energiezuinig belichten met 100% led, maar dat heeft weer invloed op het gedrag van die natuurlijke bestrijders. Onze kennis daarover staat nog in de kinderschoenen, daar willen we een stap in maken.”

 

Future tech

Dus we hebben straks een digitale teeltmanager, een robot die kan plukken, een kas of vertical farm die redelijk autonoom functioneert, die ziet wat voor weer eraan komt, de vraag in de markt kan voorspellen en weet hoeveel tomaten, komkommers of paprika’s er volgende week uit geperst moeten worden. Dan heb je het toch over een zeer getechnologiseerde omgeving?

Kempkes: “Ja. Interessante vraag is: wil de consument het ook. In Nederland bestaat een brede overtuiging dat biologisch het beste is dat je kunt eten, een soort heilig geloof, terwijl de footprint van biologisch niet aantoonbaar beter is dan van gangbaar. Kan wel, maar hoeft niet per se. Voedsel moet hier volgens een soort post-romantisch ideaal worden geteeld, iets wat groot en technologisch is, wordt niet vertrouwd.

Tot slot: “In Japan wordt het meest naar kwaliteit gekeken en is men ook bereid daarvoor te betalen. Hightech wordt daar bijna aanbeden. Daar zou het wellicht wel kunnen, omdat ze daar denken: het is zo clean geteeld, daar kan niks mis mee zijn. Maar het product hoeft daardoor niet per se goed te zijn.”

 

 

 

“Daarom moeten we proberen de mechanismen achter de processen te begrijpen en als je dat weet heb je weer een voorsprong.”

Meer weten over de beste klimaatoplossing voor uw teelt?

Loading…